HomeAanbiddingVasten Uitleg van het Boek over het Vasten uit 'Oemdat al-Ahkaam: overlevering 14
Uitleg van het Boek over het Vasten uit 'Oemdat al-Ahkaam: overlevering 14
‘Aa-ishah (moge Allah tevreden met haar zijn) zei dat de
Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) gezegd heeft:
'Wie sterft, terwijl hij een schuld
van vasten heeft; zijn erfgenaam dient namens hem te vasten.'
Overgeleverd door al-Boekhaarie (1952) en Moeslim (1147).
Aboe Daawoed leverde hem eveneens over en zei:
'Dit geldt specifiek voor degene die
een gelofte aflegde om te vasten; en dit is tevens de opinie van Ahmed ibn
Hanbal.'
Beknopte uitleg
De schulden die op de dode rusten, zijn verplicht om
afgelost te worden. Ongeacht of deze schulden tegenover Allah (Verheven is Hij)
zijn, zoals de verplichte liefdadigheid (zakaat) en het vasten; of tegenover de
mensen, zoals de geldelijke schulden. De eerste die ervoor in aanmerking komt
om deze schulden af te lossen, is de erfgenaam van de dode. Om deze reden zei
de Profeet (vrede zij met hem):
'Wie sterft, terwijl hij een schuld
van vasten heeft; zijn erfgenaam dient namens hem te vasten.'
Wat leert deze overlevering ons?
1. Wat direct uit de overlevering kan
worden opgemaakt, is dat het verplicht is om het vasten namens de dode uit te
voeren. Ongeacht of dit vasten een gelofte is die men heeft afgelegd, of dat
dit een vasten betreft dat door de wetgeving is verplicht gesteld. Dit is in
tegenstelling tot wat Aboe Daawoed noemde (dat dit enkel betrekking heeft op
degene die een gelofte aflegde om te vasten).
2. Degene die het vasten op zich moet
nemen, is de erfgenaam van de dode: dat is degene die profijt heeft van de
zaken die de dode heeft nagelaten. Eén van de rechten die de dode op de
erfgenaam heeft, is dat deze zijn schulden tegenover Allah aflost.
Meningsverschil van de geleerden
De geleerden verschillen van mening over het volgende: degene
die sterft terwijl hij een schuld van vasten heeft: dient deze voor hem te
worden afgelost (door namens hem te vasten)?
Hierover zijn drie opinies.
De eerste opinie: er dient in geen geval namens hem
te worden gevast - niet als het gaat om een gelofte die hij gedaan heeft (om te
vasten), noch als het een vasten betreft dat door de wetgeving is verplicht
gesteld.
Dit is de opinie van Aboe Haniefah, Maalik en van
ash-Shaafi'ie volgens zijn nieuwe rechtsschool.
De tweede opinie: de gelofte die hij gedaan heeft,
dient namens hem gevast te worden. Maar het vasten dat door de wetgeving is
verplicht gesteld, dient niet namens hem gevast te worden.
Dit is de opinie van Imam Ahmed, Aboe ‘Oebayd, al-Layth
en Ishaaq. Ibn al-Qayyim verdedigde deze opinie.
De derde opinie: zowel de gelofte als het vasten
dat door de wetgeving is verplicht gesteld, dienen namens hem gevast te worden.
Dit is de opinie van Aboe Thawr en de Mensen van de
Hadieth. Ibn Hazm verdedigde deze opinie en verwierp de opinies van de anderen.
Tevens is dit de opinie van een groep Hadieth geleerden van de Shaafi'ies en de
opinie van ash-Shaafi'ie volgens zijn oude rechtsschool.
Het is deze opinie die gekozen werd door onze Shaykh,
‘Abdoer-Rahmaan as-Sa'die. Hij zei:
'Dit is de opinie die door Ibn
Taymiyyah werd gekozen. Het betreft alle schulden van de dode: zowel tegenover
Allah als tegenover de mensen, zowel de schuld die hij zichzelf verplicht heeft
gesteld als de schuld die de wetgeving voor hem verplicht heeft gesteld.'
# Degenen die van opinie zijn dat er in geen geval namens
de dode gevast moet worden, gebruiken onder andere het volgende als bewijs:
De Woorden van Allah (Verheven is Hij):
En dat de mens enkel datgene krijgt
wat hij verrichtte.
[ Soerah an-Nadjm 53:39 ]
Verder datgene wat overgeleverd werd van Ibn ‘Abbaas:
'Niemand dient namens een ander te
bidden, noch namens een ander te vasten.'
Het soortgelijke hiervan werd overgeleverd van ‘Aa-ishah.
‘Aa-ishah en Ibn ‘Abbaas zijn de overleveraars van de
overlevering over het vasten namens de dode, maar zij hebben deze tegengegaan.
Dus dient men hun opinie te volgen en niet datgene wat zij overgeleverd hebben,
omdat zij de betekenis van de overlevering beter kennen dan een ander.
# Degenen die van opinie zijn dat er in alle gevallen
namens de dode gevast wordt, gebruiken het volgende als bewijs:
De overlevering van dit hoofdstuk ('Wie sterft,
terwijl hij een schuld van vasten heeft; zijn erfgenaam dient namens hem te
vasten'). Deze overlevering is namelijk algemeen en omvat zowel het vasten
dat de wetgeving verplicht heeft gesteld als het vasten als gelofte.
Verder de overlevering van Ibn ‘Abbaas, welke de volgende
overlevering in dit boek is:
Een man kwam naar de Profeet (vrede zij met hem) en zei: 'O
Boodschapper van Allah, voorwaar, mijn moeder is overleden, terwijl zij
verplicht was om een maand te vasten. Zal ik namens haar vasten?' Daarop zei de
Profeet (vrede zij met hem):
'Als jouw moeder een schuld had, zou
jij deze voor haar aflossen?'
De man antwoordde: 'Ja.' Daarop zei de Profeet (vrede zij
met hem):
'De schuld tegenover Allah heeft er
meer recht op om afgelost te worden.'
(Al-Boekhaarie: 1953 en Moeslim: 1148)
Ibn Hadjar zei:
'Ahmed en zijn metgezellen hebben de
algemene overlevering van ‘Aa-ishah (die alle soorten van het vasten omvat)
gebonden aan de specifieke overlevering van Ibn ‘Abbaas (die specifiek over het
vasten als gelofte gaat). Maar er is geen tegenstrijdigheid tussen deze twee
overleveringen om deze twee te moeten verenigen. De overlevering van Ibn
‘Abbaas is namelijk een specifieke gebeurtenis, terwijl de overlevering van
‘Aa-ishah een algemene stelregel bevat.'
# Wat betreft degenen die onderscheid maken - zij die van
opinie zijn dat er enkel namens de dode gevast moet worden in het geval van een
gelofte die hij deed, niet in het geval van het vasten dat de wetgeving voor
hem verplicht heeft gesteld: zij zijn van opinie dat de overlevering van dit
hoofdstuk ('Wie sterft, terwijl hij een schuld van vasten heeft; zijn
erfgenaam dient namens hem te vasten.') en de overlevering van Ibn ‘Abbaas
die erna komt ('De schuld tegenover Allah heeft er meer recht op om afgelost
te worden.') gebonden dienen te worden aan de andere overlevering van Ibn
‘Abbaas die daarna komt (die specifiek gaat over het vasten als gelofte).
Ibn al-Qayyim verdedigde deze opinie in zijn boeken
I'laam al-Moewaqqi'ien en Tahdhieb as-Soenan. Hij zei:
'Dit is de meest rechtzinnige opinie
en de woorden van de Metgezellen wijzen hierop.'
Verder zei hij:
'De overlevering van Ibn ‘Abbaas
waarin hij zegt:
'Niemand dient namens een ander te
bidden, noch namens een ander te vasten.'
Deze overlevering heeft betrekking
op het vasten dat van oorsprong verplicht is (en niet over het vasten als
gelofte). Maar de gelofte dient wel namens de dode gevast te worden.
Wat de overlevering van ‘Aa-ishah
betreft, waarin zij zegt over de vrouw die overleed terwijl zij nog moest
vasten 'dat men voedsel namens haar moet uitgeven': deze gaat over het
verplichte vasten, niet over de gelofte.
Op deze manier zijn alle
overleveringen in harmonie. Dit is ook waar het bewijs en de analogie op
wijzen. De gelofte is van oorsprong namelijk niet verplicht, maar het is de
dienaar die deze voor zichzelf verplicht heeft gesteld. Daarom heeft de gelofte
dezelfde status als de schuld die men aangaat. Om deze reden vergeleek de
Profeet (vrede zij met hem) de gelofte dan ook met de schuld in de overlevering
van Ibn ‘Abbaas.'
Profijtelijk punt
Het vasten van de erfgenaam namens de dode is aanbevolen
volgens de meerderheid van de geleerden, behalve de Dhaahiries: zij zeggen dat
dit verplicht is.
De Hanbalies zeggen:
'Als de dode een erfenis heeft
nagelaten, is men verplicht om namens hem te vasten. Zo niet, dan is dit
aanbevolen.'
Verder zeggen zij:
'Als een ander dan de erfgenaam
namens de dode vast, dan is dit geldig.'
Door: Shaykh
'Abdoellah Aal Bassaam (moge Allah hem genadig zijn)