HomeAanbiddingVasten Uitleg van het Boek over het Vasten uit 'Oemdat al-Ahkaam: overlevering 7
Uitleg van het Boek over het Vasten uit 'Oemdat al-Ahkaam: overlevering 7
Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden met hem zijn) zei:
'Terwijl wij bij de Profeet (vrede
zij met hem) zaten, kwam er een man naar hem en zei: 'O Boodschapper van Allah,
ik ben vernietigd!' De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: 'Wat heeft jou
vernietigd?' De man antwoordde: 'Ik heb geslachtsgemeenschap gehad met mijn
vrouw, terwijl ik vastende was.' In een andere overlevering: 'Ik heb
geslachtsgemeenschap gehad met mijn echtgenote tijdens Ramadan.' Daarop zei de
Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): 'Ben je in staat om een slaaf te
bevrijden?' De man antwoordde: 'Nee.' De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: 'Ben
je dan in staat om twee opeenvolgende maanden te vasten?' De man antwoordde: 'Nee.'
De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: 'Ben je dan in staat om zestig armen te
voeden?' De man antwoordde: 'Nee.' Toen zweeg de Profeet (vrede zij met hem) een
poos. Terwijl wij in deze toestand waren, werd de Profeet (vrede zij met hem)
een ‘araq met dadels erin gebracht (een ‘araq is een mand gemaakt van
palmbladeren). De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: 'Waar is de vrager?' De
man antwoordde: 'Hier.' De Profeet (vrede zij met hem) zei: 'Neem dit en geef
het uit aan liefdadigheid.' De man zei: 'Aan iemand die armer is dan ik, o
Boodschapper van Allah? Bij Allah, er is tussen de laabatayn - d.w.z. de
harratayn - (van Medina) geen gezin dat armer is dan mijn gezin!' Toen lachte
de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) totdat zijn hoektanden te zien
waren. Vervolgens zei hij: 'Voed je gezin hiermee.'
Overgeleverd door al-Boekhaarie (1936) en Moeslim (1111).
Taalkundige toelichting
‘Araq:Een mand gemaakt van palmbladeren. De geleerden hebben
gezegd dat hij 15 saa'[1] kan inhouden.
Laabatayn (of harratayn):Het tweevoud van laabah (of harrah): grond bedekt met
zwarte stenen. Medina bevindt zich tussen twee laabah's (laabatayn), één in het
oosten en één in het westen.
Beknopte uitleg
Salamah ibn Sakhr al-Bayaadie kwam angstig naar de
Profeet (vrede zij met hem) en zei: 'Ik ben vernietigd!' De Profeet (vrede zij
met hem) vroeg hem:
'Wat heeft jou vernietigd?'
De man vertelde hem dat hij overdag tijdens Ramadan
geslachtsgemeenschap heeft gehad met zijn vrouw, terwijl hij aan het vasten
was. De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) ging niet tekeer tegen hem,
maar zei:
'Ben je in staat om een slaaf te
bevrijden, als boetedoening voor datgene wat je gedaan hebt?'
De man antwoordde: 'Nee.' Daarop vroeg de Profeet (vrede
zij met hem) hem:
'Ben je dan in staat om twee
opeenvolgende maanden te vasten?'
De man antwoordde: 'Nee, het vasten heeft er juist toe
geleid dat ik hierin ben gevallen.'[2] Hij leidde namelijk aan
hyperseksualiteit, een ziekte waardoor hij niet in staat was om de
geslachtsgemeenschap te laten. Daarop vroeg de Profeet (vrede zij met hem) hem:
'Ben je dan in staat om zestig armen
te voeden; voor iedere arme een moedd[3] aan graan of iets anders?'
De man antwoordde: 'Nee.' Daarop zweeg de Profeet (vrede
zij met hem) een tijdje. Toen kwam één van de Metgezellen - zoals zij gewoon
waren - naar de Profeet (vrede zij met hem) met een mand gevuld met dadels met
een inhoud gelijk aan 15 saa', zodat de Profeet (vrede zij met hem) dit als
liefdadigheid zou uitgeven. De Profeet (vrede zij met hem) zei:
'Waar is de vrager?'
De man antwoordde: 'Hier.' Daarop zei de Profeet (vrede
zij met hem):
'Neem deze dadels en geef deze uit
als liefdadigheid, zodat dit een boetedoening zal zijn voor de zonde die je
begaan hebt.'
Maar toen deze man - die in angst en vreze was gekomen -
bij de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) veiligheid en rust aantrof,
hoopte hij op de gunst van Allah (Verheven is Hij) via degene die van alle
mensen het meest barmhartig was voor de mensen(d.w.z. de Profeet, vrede zij met hem). Aldus vroeg hij: 'Moet ik deze
uitgeven over iemand die armer is dan ik, o Boodschapper van Allah?' Daarna
zweerde hij dat er niemand in Medina armer was dan hij, vanwege de hevige nood
die hij in zichzelf zag.
Op dat moment raakte de Profeet (vrede zij met hem)
verbaasd over de situatie van deze man. Hoe hij was gekomen, terwijl hij
angstig was en uit was op de redding; daarop keerde hij veilig terug met
datgene waarmee hij zijn gezin kon voeden! Vervolgens gaf de Profeet (vrede zij
met hem) hem toestemming om de dadels uit te geven over zijn gezin. Vrede zij
met de Profeet Mohammed.
Meningsverschil van de geleerden
De meerderheid van de geleerden is van opinie dat de
boetedoening verplicht is voor degene die opzettelijk geslachtsgemeenschap
heeft tijdens het vasten in Ramadan. Zij verschillen echter van mening over
degene die geslachtsgemeenschap heeft uit vergeetachtigheid, maar het is al
voorafgegaan dat de juiste opinie is dat hij geen boetedoening hoeft te
verrichten.
Ook hebben zij een meningsverschil over het volgende: hoort
de boetedoening verricht te worden in de volgorde die in de overlevering
genoemd werd, of heeft men hierin een vrije keuze?
Maalik en Ahmed zijn - volgens één van de twee opinies
die van hen werden overgeleverd - van opinie dat men hierin een vrije keuze
heeft. Dit is vanwege hetgeen al-Boekhaarie en Moeslim hebben overgeleverd op
gezag van Aboe Hoerayrah:
'Een man had tijdens Ramadan zijn
vasten ongeldig gemaakt. Daarop droeg de Profeet (vrede zij met hem) hem op om
een boetedoening te verrichten door of een slaaf te bevrijden, of
twee opeenvolgende maanden te vasten, of zestig armen te voeden.'
Hij stelde hem dus voor de keuze.
De meerderheid van de geleerden, zoals ash-Shaafi'ie,
Aboe Haniefah, datgene wat bekend is van de rechtsschool van Ahmed, ath-Thawrie
en al-Awzaa'ie zijn echter van opinie dat de boetedoening verricht moet worden
in de volgorde die in de overlevering werd genoemd. Het bewijs dat zij hiervoor
gebruiken, is de overlevering van dit hoofdstuk. Zij zeggen dat bovenstaande
overlevering waarin de Profeet (vrede zij met hem) de man voor de keuze stelt
een beknopte overlevering is die verder uitgelegd wordt door de overlevering
waarin de volgorde genoemd wordt (d.w.z. de overlevering van dit hoofdstuk). Op
deze manier kunnen beide overleveringen in praktijk worden gebracht. Als men
namelijk uit zou gaan van de overlevering waarin men voor de keuze wordt
gesteld, is men niet in staat om de overlevering waarin de volgorde genoemd
wordt in praktijk te brengen; terwijl beide overleveringen authentiek zijn.
Verder verschillen de geleerden van mening over het
volgende: wordt de boetedoening opgeheven wanneer men hiertoe niet in staat
is?
Datgene wat bekend is van de rechtsschool van Imam Ahmed
- en tevens één van de twee opinies van ash-Shaafi'ie - is dat de boetedoening
opgeheven wordt, omdat de Profeet (vrede zij met hem) de man toestemming gaf om
zijn gezin te voeden met de dadels. Als dit een boetedoening voor hem zou zijn,
dan zou de Profeet (vrede zij met hem) hem geen toestemming hiervoor hebben
gegeven.
Maar de meerderheid van de geleerden is van opinie dat de
boetedoening niet opgeheven wordt wanneer men hiertoe niet in staat is, omdat
de overlevering niets bevat wat hierop wijst. Integendeel, het klaarblijkelijke
van de overlevering is dat de boetedoening niet komt te vervallen. Toen de
Boodschapper (vrede zij met hem) de man vroeg over de laagste rang van de
boetedoening, namelijk het voeden van zestig armen, en de man zei dat hij daar
niet toe in staat was, zweeg de Boodschapper (vrede zij met hem). Hij zei niet
tegen hem dat hij ontheven was van de boetedoening. De basis is dan ook dat de verplichting
van de boetedoening in stand blijft.
Bovendien kan men deze boetedoening vergelijken met de
rest van de boetedoeningen en schulden: deze komen niet te vervallen wanneer
men hiertoe niet in staat is. Wat betreft de toestemming voor de man om zijn
gezin te voeden met de dadels van de boetedoening, daarover hebben sommige
geleerden gezegd:
'Wanneer een ander de boetedoening
voor jou verricht, dan mag je hiervan eten en je gezin voeden.'
Wat leert deze overlevering ons?
1. Het hebben van geslachtsgemeenschap
tijdens de dagen van Ramadan behoort tot de vernietigende gruweldaden. De
Profeet (vrede zij met hem) erkende namelijk de woorden van de man: 'Ik ben
vernietigd.' Was dit niet het geval, dan zou de Profeet (vrede zij met hem) de
zaak voor hem verlicht hebben.
2. Degene die opzettelijk
geslachtsgemeenschap heeft tijdens het vasten in Ramadan is verplicht om de
boetedoening te verrichten. Deze boetedoening dient op deze volgorde te
gebeuren:
het
vrijlaten van een slaaf; wanneer men hiertoe niet in staat is, dan
het vasten
van twee opeenvolgende maanden; wanneer men hiertoe niet in staat is, dan
het voeden
van zestig armen.
3. De boetedoening komt niet te
vervallen wanneer men hiertoe niet in staat is. De Profeet (vrede zij met hem)
onthief de man namelijk niet van de boetedoening, ook al was hij arm. Er is in
de overlevering niets wat wijst op de ontheffing van de boetedoening.
4. Het is toegestaan om de boetedoening
voor een ander te verrichten, zelfs voor een vreemde.
5. Wanneer een ander de boetedoening
verricht heeft, mag men hiervan eten en zijn gezin ermee voeden.
6. Het klaarblijkelijke van de
overlevering is dat er geen verschil is tussen het vrijlaten van een gelovige
slaaf en een ongelovige slaaf. Dit is dan ook de opinie van de Hanafies. Maar
het correcte (in dit geval) is datgene waar de meerderheid zich op bevindt: het
is noodzakelijk dat het een gelovige slaaf is. Deze overlevering hoort dan
gebonden te worden aan de teksten over de boetedoening voor het doden. Hierin
wordt namelijk wel melding gemaakt van een gelovige slaaf.
7. Het goede karakter van de Profeet (vrede
zij met hem) en de vrijgevigheid van zijn Metgezellen. Deze man kwam namelijk
angstig tot hem, maar vertrok in blijdschap en in bezit van datgene waarmee hij
zijn gezin kon voeden.
8. Degene die een zonde verricht waar
geen straf voor staat en vervolgens berouw heeft, dient niet berispt te worden.
Enkele profijten uit de woorden van
Shaykhoel-Islaam Ibn Taymiyyah
(moge Allah hem
genadig zijn)
Hij zei (ingekort):
'Het eten, het drinken en de geslachtsgemeenschap maken
het vasten ongeldig op grond van de teksten en de consensus van de geleerden.
Ook is vastgesteld door de Soennah en de consensus dat het menstruatiebloed en
het vasten niet samengaan. De menstruerende vrouw dient dus niet te vasten,
maar hoort het vasten wel in te halen.
De Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd:
'Overdrijf in het reinigen van je
neus (tijdens de rituele wassing), behalve wanneer je aan het vasten bent.'
(Sahieh Soenan Abie Daawoed)
Dit duidt erop dat het binnengaan van water in het
lichaam vanuit de neus het vasten ongeldig maakt.
Al-Khattaabie heeft gezegd:
'Ik ken geen meningsverschil onder
de geleerden over het feit dat degene die onopzettelijk overgeeft niets hoeft in
te halen en degene die opzettelijk overgeeft zijn vasten moet inhalen.'
Degene die onopzettelijk een zaadlozing heeft, zoals de
slapende: zijn vasten is geldig met de overeenstemming van de geleerden. Maar
degene die opzettelijk een zaadlozing heeft, diens vasten is ongeldig.
Het Boek en de Soennah wijzen erop dat degene die zonder
opzet of uit vergeetachtigheid een overtreding begaat, hiervoor niet zal worden
aangerekend door Allah. Deze persoon is gelijk aan degene die de overtreding
niet begaan heeft, dus rust er ook geen zonde op hem. Zijn aanbidding is dan
ook gewoon geldig. Wanneer de vastende dus zonder opzet of uit
vergeetachtigheid eet, drinkt of geslachtsgemeenschap heeft, hoeft hij niets in
te halen. Dit is de opinie van een groep van de Salaf (Voorgangers) en de Khalaf
(nakomers).
Wat betreft de kohl, de injectie, datgene wat in de
urinebuis wordt gedruppeld en het verzorgen van de wond die tot het hersenvlies
reikt en de wond die tot de lichaamsholte reikt; dit behoort tot datgene waar
de mensen van kennis onenigheid over hebben. Onder hen zijn er die van opinie
zijn dat geen van bovenstaande zaken het vasten ongeldig maakt en onder hen
zijn er die van opinie zijn dat alle bovenstaande zaken het vasten ongeldig
maken.
Maar het meest klaarblijkelijke is dat niets van deze
zaken het vasten ongeldig maakt. Het vasten behoort namelijk tot de religie van
de moslims waar zowel de geleerden als het gewone volk kennis van moeten
hebben. Als bovengenoemde zaken verboden zouden zijn tijdens het vasten en het
vasten hierdoor ongeldig zou worden, dan was het een plicht voor de
Boodschapper (vrede zij met hem) om dit te verduidelijken. Als hij dit
verduidelijkt zou hebben, dan hadden de Metgezellen dit geweten en dan hadden
zij dit doorgegeven aan de moslimgemeenschap, net zoals zij de rest van de
religie hebben doorgegeven. Maar aangezien niemand van de mensen van kennis
hierover iets van de Profeet (vrede zij met hem) heeft overgeleverd - geen
authentieke overlevering, noch een zwakke overlevering, noch een doorlopende
overlevering, noch een onderbroken overlevering - weten wij dat hij deze zaken
niet genoemd heeft. En de overlevering over de kohl is zwak.
Degenen die zeggen dat bovengenoemde zaken het vasten
ongeldig maken, hebben hiervoor geen enkel bewijs dan de analogie. Hun sterkste
argument is de overlevering:
'Overdrijf in het reinigen van je
neus (tijdens de rituele wassing), behalve wanneer je aan het vasten bent.'
Dit is echter een zwakke analogie. Degene die water via
zijn neus inneemt, waardoor dit water in zijn keel en vervolgens in zijn
lichaamsholte terechtkomt, is namelijk gelijk aan degene die het water met zijn
mond drinkt. Zijn lichaam voedt zich met dit water en zijn dorst verdwijnt.
Zelfs als deze overlevering er niet zou zijn, dan zou men met het verstand
weten dat dit gelijk is aan het drinken. De vastende werd verboden te eten en
te drinken, omdat dit hem kracht geeft. Dit is echter niet het geval bij de
kohl, de injectie en het verzorgen van de wond die tot het hersenvlies reikt en
de wond die tot de lichaamsholte reikt. Deze zaken voeden het lichaam niet in
het minst.
Verder verschillen de geleerden van mening over de
aderlating (hidjaamah): maakt dit het vasten ongeldig of niet?
De overleveringen van de Profeet (vrede zij met hem)
waarin hij zegt:
'Degene die de aderlating uitvoert
en degene bij wie de aderlating wordt uitgevoerd, hebben hun vasten verbroken.'
(Irwaa- al-Ghaliel: 931)
...zijn talrijk en de Imams van de Hadieth hebben deze
verduidelijkt. Er zijn meerdere Metgezellen die de aderlating voor de vastende
afkeurden. De meeste rechtsgeleerden van de Hadieth zijn van opinie dat de
aderlating het vasten ongeldig maakt; en zij zijn van alle mensen degenen die
Mohammed (vrede zij met hem) het meest opvolgen.
Degenen die van opinie zijn dat de aderlating het vasten
niet ongeldig maakt, gebruiken als bewijs datgene wat authentiek van de Profeet
(vrede zij met hem) is overgeleverd dat hij aderliet, terwijl hij vastende was
en in de gewijde staat van de bedevaart was. Ahmed en anderen verklaarden de
toevoeging '...terwijl hij vastende was...' echter zwak en zeiden:
'Datgene wat authentiek is, is dat
hij aderliet terwijl hij in de gewijde staat van de bedevaart was. Het maakt
niet uit op welke manier men bloed uit het lichaam wil verwijderen, dit maakt
het vasten ongeldig.'
Het gebruik van de siwaak (tandenstokje) is toegestaan
zonder meningsverschil, maar de geleerden hebben onenigheid over de
afkeurenswaardigheid ervan nadat de zon haar hoogtepunt heeft bereikt. Er is
voor deze afkeurenswaardigheid echter geen wettig bewijs dat de algemene
teksten over de siwaak specifiek kan maken.[4]
Het proeven van voedsel is afkeurenswaardig als dit
gebeurt zonder dat hier enige behoefte voor is, maar het maakt het vasten niet
ongeldig. Wanneer er echter wel een behoefte voor is, dan is het niet
afkeurenswaardig.'
Einde van de woorden van
Shaykhoel-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn).
Door: Shaykh
'Abdoellah Aal Bassaam (moge Allah hem genadig zijn)
[1] Voetnoot van de vertaler: Saa': Een maat die gelijk is aan viermaal twee handenvol.
[2] Sommige wegen van de overlevering
bevatten de volgende bewoording:
'Ik ben hier slechts in gevallen
vanwege het vasten.'
[3] Voetnoot van de vertaler: Moedd: Een maat die gelijk is aan twee handen vol.
[4] Voetnoot van de vertaler: Ibn ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem en zijn vader) heeft gezegd:
'Hij (d.w.z. de vastende) mag de
siwaak gebruiken in het begin en het einde van de dag.'
Overgeleverd door al-Boekhaarie op een moe'allaq
(opgehangen) wijze, welke sterk is. Ibn Abie Shaybah leverde hem over met een
verbonden keten; zie Moekhtasar al-Boekhaarie (368).