|
Vraag:
Sommige mensen zijn
van opinie dat het verrichten van slechte daden en grote zonden door sommige
van de regeringsleiders (van de moslims) het verplicht maakt om tegen hen in
opstand te komen en om te proberen dit kwaad te veranderen, zelfs als dit
ervoor zorgt dat de moslims schade wordt berokkend in het land. De incidenten
waar onze Islamitische wereld aan lijdt, zijn er vele. Wat is dus uw opinie
hierover?
Antwoord:
In de Naam van
Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle. Alle lof is aan Allah, de
Heer der Werelden. Moge Allah Zijn vrede en gebeden zenden naar de Boodschapper
van Allah, zijn familieleden, Metgezellen en wie zijn leiding opvolgt.
Vervolgens:
Voorzeker, Allah -
de Almachtige en Majesteitelijke - zegt:
O jullie die geloven, gehoorzaam Allah en gehoorzaam
de Boodschapper en de gezaghebbers onder jullie. En als jullie ergens van
mening over verschillen, voer het dan terug naar Allah en de Boodschapper, als
jullie geloven in Allah en de Laatste Dag. Dat is beter en gunstiger wat
resultaat betreft.
[ Soerah an-Nisaa- 4:59 ]
Dit Vers is een bewijs dat het verplicht is om de
gezaghebbers te gehoorzamen en dat zijn de regeringsleiders en de geleerden. De
authentieke Soennah op gezag van de Boodschapper van Allah - vrede en gebeden
over hem - maakt duidelijk dat deze gehoorzaamheid noodzakelijk is en dat dit
een verplichting is in het goede.
De teksten van de Soennah verduidelijken de betekenis
en uit het Vers volgt dat de bedoeling is hen te gehoorzamen in het goede. De
moslims zijn dus verplicht om de gezaghebbers te gehoorzamen in het goede, niet
in de zonden. Wanneer de gezaghebbers een zonde gebieden, dienen zij niet
gehoorzaamd te worden in de zonde. Het is echter niet toegestaan om tegen hen
in opstand te komen omwille hiervan. Dit is vanwege de woorden van de Profeet -
vrede en gebeden over hem:
"Waarlijk, degene over wie een gezaghebber wordt
aangesteld, waarop hij hem een zonde ziet plegen: laat hij dan een hekel hebben
aan de zonde die hij pleegt, maar hij dient geen hand terug te trekken uit zijn
gehoorzaamheid."
Overgeleverd door
Moeslim, Ahmed en anderen.
En
zijn woorden - vrede en gebeden over hem:
"Wie uit
de gehoorzaamheid treedt, zich afscheidt van de groep en vervolgens sterft: die
sterft een dood van Djaahiliyyah (preïslamitische tijd van de Onwetendheid)."
Overgeleverd door
Moeslim, Ahmed en anderen.
Verder zegt de Profeet - vrede en gebeden over hem:
"De mens
is verplicht te luisteren en te gehoorzamen betreffende datgene waarvan hij
houdt en datgene waaraan hij een hekel heeft, behalve als hij wordt bevolen om
Allah ongehoorzaam te zijn. Wanneer hij wordt bevolen om Allah ongehoorzaam te
zijn, dient hij niet te luisteren en niet te gehoorzamen."
Overgeleverd door
Moeslim, an-Nasaa-ie en anderen.
Toen de Profeet - vrede en gebeden over hem - vertelde dat er leiders
zullen komen in wie men goede zaken en slechte zaken zal zien, vroegen de
Metgezellen hem: "Wat draagt u ons op?" Hij antwoordde:
"Geef
hun hun recht en vraag Allah jullie recht."
Overgeleverd door al-Boekhaarie en
Moeslim.
‘Oebaadah ibn as-Saamit - moge Allah tevreden zijn met hem - heeft
gezegd:
"De Boodschapper
van Allah -
vrede en gebeden over hem - nam
de eed van ons aan dat wij zouden luisteren en gehoorzamen met zin en tegenzin,
in voorspoed en tegenspoed en wanneer ons onrecht wordt aangedaan. Bovendien
dat wij de autoriteit van de heersers niet betwisten."
Vervolgens
zei hij:
"Behalve wanneer
jullie duidelijk ongeloof zien, waarmee jullie een bewijs hebben bij Allah."
Overgeleverd door
al-Boekhaarie en Moeslim.
Dit
wijst er dus op dat het voor de moslims niet is toegestaan om zich te verzetten
tegen de gezaghebbers of om tegen hen in opstand te komen, behalve als zij
duidelijk ongeloof zien waarmee zij een bewijs hebben bij Allah. Dit is slechts
omdat het in opstand komen tegen de gezaghebbers een groot verderf en geweldig kwaad
veroorzaakt. De veiligheid wordt hiermee verstoord, de rechten worden
verwaarloosd, het weerhouden van de onrechtpleger en het steunen van degene die
onrecht wordt aangedaan wordt bemoeilijkt en de wegen worden onveilig gemaakt.
Er vloeit dus een geweldig verderf en groot kwaad uit het in opstand komen
tegen de gezaghebbers.
Behalve
wanneer de moslims duidelijk ongeloof zien, waarmee zij een bewijs hebben bij
Allah. In dat geval rust er geen kwaad in om tegen deze leider in opstand te
komen om hem af te zetten, als zij daartoe in staat zijn. Maar wanneer zij niet
in staat zijn of wanneer het in opstand komen een groter kwaad veroorzaakt, dan
is het voor hen niet toegestaan in opstand te komen, om zodoende de collectieve
voordelen te behouden. De wettige stelregel waar overeenstemming over is, luidt
als volgt:
"Het is niet toegestaan het kwaad te verwijderen met
datgene wat nog kwader is, maar het is verplicht het kwaad te weerhouden met
datgene wat dit verwijdert of verlicht."
Wat
betreft het weerhouden van het kwaad met datgene wat nog kwader is, dit is niet
toegestaan met de overeenstemming van de moslims. Wanneer deze groep (die deze
leider die duidelijk ongeloof heeft gepleegd wil afzetten) in staat is deze
leider af te zetten en in zijn plaats een deugdzame, goede leider aan te
brengen zonder dat dit een groot verderf voor de moslims veroorzaakt en zonder
dat dit een kwaad teweegbrengt dat geweldiger is dan het kwaad van deze leider:
dan rust hier geen kwaad in.
Maar
wanneer deze opstand zorgt voor een groot verderf, verstoring van de
veiligheid, onrecht van de mensen, het ten onrechte vallen van doden en andere
zaken van geweldig verderf: dit is niet toegestaan. In dat geval is men
verplicht om geduld te hebben, te luisteren en te gehoorzamen in het goede, de
gezaghebbers te adviseren, smeekbeden voor hen te verrichten voor het goede en
zich in te spannen om het kwaad te verminderen en het goede te vermeerderen.
Dit
is het rechte pad dat men verplicht is in te slaan, omdat hierin collectieve voordelen
zitten voor alle moslims, omdat hierin een vermindering van het kwade en een
vermeerdering van het goede zit en omdat dit ervoor zorgt dat de veiligheid
bewaard wordt en dat de moslims beschermd worden tegen een groter kwaad. Wij
vragen Allah succes en leiding voor eenieder.
Vraag:
Wij weten dat deze woorden een fundament zijn van de fundamenten van
Ahloes-Soennah wal-Djamaa'ah. Maar spijtig genoeg zijn er onder de kinderen van
Ahloes-Soennah wal-Djamaa'ah die dit zien als een moedeloze gedachte die tot de
nederlaag leidt. Voorzeker, deze woorden zijn gezegd... Daarom roepen zij de
jongeren op tot gewelddadigheid in het veranderen (van de samenleving).
Antwoord:
Dit is incorrect van degenen die dit zeggen en het getuigt van een
gebrekkig begrip. Zij hebben de Soennah niet begrepen, noch hebben zij deze
verstaan zoals het hoort. Het fanatisme en de ijver voor het verwijderen van
het kwade zetten hen ertoe aan om in datgene te vallen wat tegenstrijdig is met
de Islamitische wetgeving, net zoals de Khawaaridj en de Moe'tazilah hierin
vielen. Het zette hen ertoe aan om in de valsheid te vallen, zozeer dat zij de
moslims ongelovig verklaren vanwege de zonden, of dat zij hen voor eeuwig in
het Hellevuur plaatsen, zoals de Moe'tazilah doen.
De Khawaaridj verklaarden de moslims ongelovig vanwege de zonden en
plaatsten de zondaars voor eeuwig in het Hellevuur. De Moe'tazilah zijn het met
hen eens wat de bestraffing betreft: dat de zondaars voor eeuwig in het
Hellevuur zullen zijn, maar zeggen dat zij zich in deze wereld in een positie
tussen de twee posities (geloof en ongeloof) bevinden. Dit alles is een
dwaling.
Datgene waar Ahloes-Soennah zich op bevindt, is de waarheid: dat de
zondaar niet ongelovig wordt door zijn zonde, zolang hij deze niet als toegestaan
beschouwt. Wanneer hij ontucht pleegt, begaat hij geen ongeloof. Wanneer hij
steelt, begaat hij geen ongeloof. Wanneer hij alcohol drinkt, begaat hij geen
ongeloof. Maar hij is een grote zondaar met een zwak Geloof. Hij wordt hiermee
niet ongelovig, behalve als hij de zonde als toegestaan beschouwt en zegt dat
deze toegestaan is.
Wat de Khawaaridj hierover hebben gezegd is vals. Daarom zei de Profeet
- vrede en gebeden over hem - over hen:
"Voorwaar, zij schieten uit de religie zoals een pijl uit een boog
schiet en daarna keren zij hier niet naar terug. Zij bestrijden de mensen van
de Islam en laten de mensen van de afgodsbeelden."
Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.
Dit is de
situatie van de Khawaaridj vanwege hun overdrijving, onwetendheid en dwaling.
Het past de jongeren en anderen dus niet om de Khawaaridj en de Moe'tazilah te
imiteren. Zij zijn echter verplicht om de weg van Ahloes-Soennah wal-Djamaa'ah
te volgen, volgens datgene waar de wettelijke bewijzen op duiden, door zich te
houden aan de teksten zoals deze zijn gekomen.
Het is voor hen
niet toegestaan om in opstand te komen tegen de leider omwille van één of
meerdere zonden die hij heeft gepleegd. In plaats hiervan dienen zij hem te
adviseren door naar hem te schrijven of met hem te spreken, door middel van de
goede en wijze wegen en het discussiëren op de beste wijze; opdat zij zullen
slagen en het kwaad vermindert of verdwijnt, of het goede vermeerdert. Op deze
wijze zijn de teksten gekomen op gezag van de Boodschapper van Allah - vrede en
gebeden over hem. Allah - de Almachtige en Majesteitelijke - zegt:
En dankzij de Barmhartigheid van Allah ben jij
zacht voor hen. Maar als jij streng en hardvochtig zou zijn, dan waren zij
zeker van jou weggelopen.
[ Soerah Aal ‘Imraan 3:159 ]
Degenen die vurig zijn omwille van Allah en de uitnodigers naar de
leiding zijn verplicht om binnen de grenzen van de Islamitische wetgeving te
blijven en om degenen die Allah het gezag over hen heeft gegeven te adviseren
met mooie woorden, wijsheid en goede manieren, opdat het goede wordt
vermeerderd en het kwade wordt verminderd. Opdat de uitnodigers naar Allah zich
vermeerderen en actief worden in hun uitnodiging op de beste wijze - niet met
gewelddadigheid en hardheid - en degenen die Allah als gezaghebbers over hen
heeft aangesteld adviseren op alle goede en mooie manieren die mogelijk zijn.
Alsook dienen zij smeekbeden voor hen te verrichten vanuit het
ongeziene: dat Allah hen leidt, succes aan hen schenkt, hen steunt in het goede
en dat Allah hen bijstaat om de zonden die zij verrichten te laten en de
waarheid te vestigen. Op deze manier smeekt de gelovige Allah nederig aan en
vraagt Hem om de gezaghebbers te leiden en te steunen in het laten van de
valsheid en het vestigen van de waarheid, met mooie manieren en op de beste
wijzen.
Evenzo dient hij om te gaan met zijn broeders die vurig (in de religie)
zijn: hij adviseert hen, vermaant hen en herinnert hen, opdat zij actief worden
in het uitnodigen naar Allah op de beste wijze, niet met gewelddadigheid en
hardheid. Op deze manier wordt het goede vermeerderd en het kwade verminderd en
leidt Allah de gezaghebbers naar het goede en maakt hen hierin standvastig. Zo
is het resultaat prijzenswaardig voor eenieder.
Door: ‘Abdoel-‘Aziez ibn
‘Abdillaah ibn Baaz
Bron: Al-Ma'loem min Waadjib al-'Alaaqah bayn al-Haakim
wal-Mahkoem (Advies aan de moslimgemeenschap: 10 vragen en antwoorden
betreffende de wijze waarop de moslims dienen om te gaan met hun
regeringsleiders)
|