|
Pagina 1 van 2
Biografie van
al-Imaam ‘Abdoel-‘Aziez ibn Baaz
Door de nobele
Shaykh
al-‘Allaamah
‘Abdoel-Moehsin ibn Hamad al-‘Abbaad al-Badr
- moge Allah hem
behouden -
Ash-Shaykh ‘Abdoel-Moehsin ibn Hamad
al-‘Abbaad al-Badr, de voormalige directeur van de Islamitische Universiteit
van al-Medienah - moge Allah hem behouden - zei in een lezing die hij gaf aan
de Islamitische Universiteit van al-Medienah over zijn Shaykh, ‘Abdoel-‘Aziez
ibn Baaz -moge Allah hem genadig zijn:
"(...)Een persoon die zowel bekend is bij de
specifieken als bij het gewone volk, in de hele wereld, zowel bij de Moslims
als de ongelovigen. Een man die - in mijn beschouwing - de grootste
wetenschappelijke persoonlijkheid in deze tijd is, die ons herinnert aan
datgene waar de Voorgangers (Selef) van deze oemmah(1) zich op bevonden,
van onder de handelende geleerden en de leidende gidsen aan overvloedige
kennis, edel karakter en algeheel profijt en advies aan de Islaam en de
Moslims, en hij is werkelijk een voorbeeld van de eerste klasse.
Hij is Zijne Excellentie al-Imaam
al-‘Allaamah al-Moehaddith al-Faqieh, Shaykhoel-Islaam en Moeftie van de
Mensheid, de Hervormer van de 15e eeuw, ash-Shaykh ‘Abdoel-‘Aziez
ibn ‘Abdillaah ibn Baaz -moge Allah hem genadig zijn en hem vergeven(...)
Ten eerste: zijn afkomst, geboorte en
opvoeding
Ik zeg - zoals ik al heb gezegd:
Hij is Zijne Excellentie al-Imaam
al-‘Allaamah al-Moehaddith al-Faqieh, Shaykhoel-Islaam en Moeftie van de
Mensheid, de Hervormer van de 15e eeuw, ash-Shaykh ‘Abdoel-‘Aziez
ibn ‘Abdillaah ibn ‘Abdir-Rahmaan ibn Mohammad ibn ‘Abdillaah Aal Baaz.
Hij werd geboren in de stad Riyaad op de 12e
dag van de 12e maand van het jaar 1330 H(2). Hij groeide op
in een nobel gezin dat bestond uit mensen van kennis en gratie, en hij - moge
Allah hem genadig zijn - was al vanaf zijn jeugd iemand met hoge waarden, een
grote vastberadenheid in het vergaren van kennis, en had een grote ijver
hierin; hij memoriseerde de Qor-aan voordat hij de puberteit had bereikt. Hij
beschikte over een gezichtsvermogen, maar werd op 16-jarige leeftijd getroffen
door een ziekte, waardoor zijn gezichtsvermogen verzwakte en steeds meer afnam
totdat op 20-jarige leeftijd zijn gezichtsvermogen totaal verdwenen was. Maar
Allah - de Almachtige en Majesteitelijke - ruilde dit in voor een inzicht in
zijn hart, en een licht en Iemaan (Geloof), waardoor hij opgroeide op kennis en
gratie, en ijver en vastberadenheid in het vergaren van kennis, zodat hij al op
een vroege leeftijd uitmuntte - moge Allah hem genadig zijn.
Ten tweede: zijn leraren bij wie hij kennis
opdeed, zijn o.a.:
* Ash-Shaykh Mohammad ibn ‘Abdil-Latief ibn
‘Abdir-Rahmaan ibn Hasan ibn ash-Shaykh Mohammad ibn ‘Abdil-Wahhaab - moge
Allah hen allen genadig zijn.
* Ash-Shaykh Saalih ibn ‘Abdil-‘Aziez ibn
‘Abdir-Rahmaan ibn Hasan, de rechter van Riyaad.
* Ash-Shaykh Sa'd ibn Hamad ibn ‘Atieq, de
rechter van Riyaad.
* Ash-Shaykh Hamad ibn Faaris, agent van de
schatkamer.
* Ash-Shaykh Sa'd al-Waqqaas al-Boekhaarie,
bij wie hij de kennis van tadjwied (intonatie van de Qor-aan) studeerde in het
geëerde Mekkah in het jaar 1335.
* Wat betreft zijn Shaykh bij wie hij lange
tijd studeerde, en die hij lange jaren vergezelde en voordeel van zijn kennis
had, dat is Zijne Excellentie ash-Shaykh Mohammad ibn Ibraahiem ibn
‘Abdil-Latief ibn ‘Abdir-Rahmaan ibn Hasan ibn ash-Shaykh al-Imaam Mohammad ibn
‘Abdil-Wahhaab - moge Allah eenieder van hen genadig zijn. Hij studeerde vele
gevarieerde wetenschappen bij hem en had een groot voordeel van zijn kennis.
Hij - moge Allah hem genadig zijn - verheerlijkte zijn Shaykh altijd en prees
hem aan en verrichte veel doe'aa(3) voor hem - moge Allah eenieder van hen genadig zijn. Deze zijn dus zijn bekendste leraren.
Wat zijn leerlingen betreft:
Zij zijn velen en zijn moeilijk op te
sommen, en ik ben in staat om te zeggen: het overgrote merendeel van de
rechters en professoren van de universiteiten in de Islamitische faculteiten,
en ook in de vele academies en scholen zijn zijn studenten, of de studenten van
zijn studenten, of de studenten van de studenten van zijn studenten(...)
(...)En het behoort tot de gunsten van Allah
aan mij dat ik tot zijn leerlingen behoorde(...) die bij de Shaykh hun kennis
opdeden - moge Allah hem vergeven.
Na zijn overplaatsing van al-Medienah naar
Riyaad gaf hij lessen in Djaami' al-Imaam Toerkie ibn ‘Abdillaah Moskee, en in
één van de moskeeën dicht bij zijn huis, waarbij velen van de universitaire
professoren en anderen kennis bij hem opdeden, en deze behoren dus ook tot zijn
studenten die bij hem kennis vergaarden.
Ten derde: de functies die hij bekleedde
De eerste functie die hij kreeg toegewezen
was het rechterschap in al-Khardj, en dat was in de maand Djoemaadal-Aakhirah
van het jaar 1357 H., dat wil zeggen dat hij toen 27 jaar was -moge Allah hem
genadig zijn, en hij bleef rechter in al-Khardj tot het einde van het jaar 1371
H.
Daarna ging hij over tot het doceren aan de
Wetenschappelijke Academie van Riyaad, en in de Faculteit Sharie'ah(4) nadat
deze werd opgericht, en hij bleef dat werk doen tot het einde van het jaar
1380, aangezien de Islamitische Universiteit (van al-Medienah) werd geopend in
begin 1381, en hij de directe verantwoordelijke was bij de stichting en de
oprichting, als plaatsvervanger van de directeur Zijne Excellentie al-Moeftie
ash-Shaykh Mohammad ibn Ibraahiem - moge Allah hem genadig zijn.
Hij bleef in de Universiteit van 10 Rabie'
al-Awwal 1381 H. tot 14 Shawwaal 1395H., dat wil zeggen dat hij daar 15 jaar
heeft doorgebracht.
Daarna ging hij over tot het voorzitterschap van het Bestuur voor Wetenschappelijk Onderzoek en Fataawaa(5) en Da’wah(6) en Leiding en bleef hier, en in het jaar 1414 H. werd hij benoemd tot Algemene Moeftie van het Koninkrijk, en voorzitter van de Raad van de Grote Geleerden en het Bestuur voor Wetenschappelijk Onderzoek en Fataawaa.
Hier bovenop was hij ook nog eens
voorzitter van de Fundamentele Raad van de Moslim Wereld Liga, de Hoge Wereld
Raad voor de Moskeeën en de Jurisprudentiële Vergadering horend bij de Moslim
Wereld Liga, en na zijn overplaatsing van de Universiteit werd hij ook lid van
de Hoogste Raad ervan, waarvan de hoogste voorzitter de Bedienaar van de Twee
Heilige Plaatsen (d.w.z. de Koning) was - moge Allah hem behouden, en als hij
afwezig was in de vergaderingen, verving hij Zijne Excellentie ash-Shaykh
‘Abdoel-‘Aziez ibn Baaz -moge Allah hem genadig zijn.
Ten vierde: zijn kennis
Hij - moge Allah hem genadig zijn - was een
grote geleerde zoals zowel de specifieken als het gewone volk dat weten, en hij
was een opvoedende geleerde. Al-Haafidh ibn Hadjar heeft in Fat-h al-Baarie
overgeleverd van Ibn al-A'raabie dat hij zei:
"Een geleerde wordt
niet Rabbaanie (opvoeder) genoemd, totdat hij kennis heeft, deze in praktijk
brengt en deze onderwijst."
En dat was hij, hij was een bezitter van
kennis, praktiseerder en onderwijzer, en een uitnodiger naar Allah - de
Almachtige en Majesteitelijke - op basis van een duidelijk bewijs - moge Allah
hem genadig zijn.
Hij was een Imaam(7) in de religie;
Shaykhoel-Islaam ibn Taymiyyah heeft gezegd:
"Het Imaamschap in
de religie wordt verkregen door geduld en overtuiging, Allah - de Almachtige en
Majesteitelijke - zegt:
وَجَعَلْنَا
مِنْهُمْ أَئِمَّةً يَهْدُونَ بِأَمْرِنَا لَمَّا صَبَرُوا وَكَانُوا بِآيَاتِنَا
يُوقِنُونَ
En Wij maakten van hen Imaams die met Ons bevel Leiding
geven, toen zij geduldig waren en van Onze Tekenen overtuigd waren."
Hij
- moge
Allah hem genadig zijn - was een geleerde in de hadieth(8) en fiqh(9)
en droeg een grote zorg aan het bewijs, streefde naar het terugkeren naar de
bewijzen en het hieraan vasthouden, en spoorde aan tot het inslaan van deze
weg. Hij had een grote belangstelling voor de hadieth, en het kennen van zowel
de authentieke als de zwakke ervan, de overleveraars, en over wie van hen
gesproken wordt. In zijn fataawaa en zijn lessen vermeldde hij dat, en zei dan:
"Deze hadieth is authentiek, of zwak; omdat de keten die en die overleveraar
bevat, of hij is moenqati', of hij is moersal, of hij is zo en zo of zo en zo."
Hij had een grote belangstelling voor fiqh
-moge Allah hem genadig zijn, aangezien hij de gezaghebbende bron voor fataawaa
was in het Koninkrijk en daarbuiten, en de Moeftie(10) van de Mensheid,
zoals ik al heb gezegd, naar wie de mensen terugkeerden voor verschillende
vraagstukken.
Hij droeg een grote zorg aan het noemen van
de uitspraak of de regelgeving, gepaard met zijn bewijs en de verduidelijking
hiervan, of deze nu gebaseerd was op de overlevering of op het verstand - moge
Allah hem genadig zijn.
En in zijn commentaar op de uitspraak die
naar zijn mening tegenstrijdig was met datgene wat correct is, was hij - moge
Allah hem genadig zijn - uiterst beleefd met de mensen van kennis, en zei dan:
"Deze uitspraak wordt betwijfeld, en het correcte is dit en dit."
(...)Maar als de uitspraak waardeloos,
duidelijk vals, onwaarheid en tegenstrijdig aan het bewijs was, dan zei hij:
"Deze uitspraak is duidelijk vals, of deze uitspraak is incorrect, of niet
juist, een valse uitspraak," of andere gelijkende uitdrukkingen.
Hij - moge Allah hem genadig zijn - had een
eminentie bereikt in de kennis, en een hoge rang en verheven positie, zowel de
specifieken als het gewone volk getuigen hiervan. En hij heeft deze eminentie
niet bereikt door languit achterover te zitten, maar heeft deze slechts bereikt
door een ijver en inspanning vanaf zijn vroegste jaren; hij was een ijverige en
hardwerkende man, en een dichter heeft ooit gezegd:
En wanneer de ziel
groots is,
raakt het lichaam
vermoeid in het bereiken van haar doel.
Hij bereikte wat hij bereikte - na de gunst
van Allah - slechts door ijver en inspanningen, vermoeidheid, last en moeite,
en het opofferen van moeite, gezondheid en welzijn omwille van het bezig zijn
met kennis, en het tot nut zijn van de mensen - moge Allah hem genadig zijn.
Yahya ibn Abie Kathier al-Yamaamie heeft
gezegd, zoals al-Imaam Moeslim in zijn Sahieh heeft overgeleverd:
"De kennis
verkrijgt men niet door het rusten van het lichaam."
(..)En hij - moge Allah hem genadig zijn -
was geduldig en rekenend (op Allah's beloning), ijverig en toegewijd in alle
fasen van zijn leven, totdat Allah - de Almachtige en Majesteitelijke - hem
wegnam. Hij was een harde werker op het formele werkterrein, in de moskee, op
straat en thuis. Hij kende geen tijd om te rusten, behalve een weinig, en zijn
deur stond open - moge Allah hem genadig zijn - om de mensen te ontvangen voor
het geven van fataawaa, om te bemiddelen, hulp te verlenen of te adviseren, en
andere zaken waar de mensen een behoefte aan hebben.
Hij behaalde deze eminentie en deze
verheven positie dus slechts door middel van ijver, hard werken en
zelfopoffering -moge Allah hem genadig zijn en hem vergeven.
Ten vijfde: zijn uitgestrekte profijt
Hij - moge Allah hem genadig zijn - was
nuttig voor de mensen in zijn kennis, in zijn raadgeving, in zijn gebieden van
het goede en verbieden van het slechte, in zijn da'wah naar het goede en in
zijn steun aan de mensen met zijn bezit en zijn positie; dit alles behoort tot
de verschillende aspecten van zijn uitgestrekte profijt.
Hij was een uitnodiger naar Allah met
wijsheid en goede bewoordingen, in zijn lezingen, zijn woorden en zijn boeken. En
hij stelde buiten het Koninkrijk uitnodigers aan op de kosten van een aantal
weldoeners.
En tot zijn uitgestrekte profijt behoren
zijn veelvuldige fataawaa, zowel door middel van rechtstreekse ontmoeting, als
op telefonische wijze, als op correspondentiele wijze. Dit alles behoort tot
zijn profijt voor de mensen.
Wanneer hij - moge Allah hem genadig zijn -
in sommige bladen en tijdschriften fouten tegenkwam, attendeerde hij hierop
door middel van woorden die gepubliceerd werden in de bladen of essays die hij
schreef en dan exclusief gedrukt werden.
Zijn - moge Allah hem genadig zijn -
bijeenkomsten waren gevuld met kennis, raadgevingen, nuttigheden, profijt en
weldadigheden aan de mensen, en het waren bijeenkomsten die bijgewoond werden
door de Engelen, omdat deze gevuld waren met de gedachtenis van Allah,
profijtvolle kennis en met raadgevingen en profijt voor de Moslims - moge Allah
hem genadig zijn en hem vergeven.
Hij was zeer ijverig in het bijstaan van de
behoeftigen en het bouwen van moskeeën, binnen het Koninkrijk en daarbuiten. En
in zijn privé-bibliotheek in zijn huis waren archieven met (namen van)
verschillende personen en bestemmingen die steun ontvingen, of deze nu tot de
armen behoorden of tot de uitnodigers, zowel binnen het Koninkrijk als
daarbuiten.
Hij - moge Allah hem genadig zijn - was een
bezitter van zachtmoedigheid, vrijgevigheid en gastvrijheid. Wanneer iemand hem
bezocht uit een andere stad, haastte hij zich om hem uit te nodigen voor het
nuttigen van het middageten of het avondeten, en vroeg hem dan naar zijn staat
en de staat van zijn vader en moeder als deze nog in leven waren, of naar de
staat van een aantal van zijn familieleden, en naar de prominente geleerden uit
zijn stad, en dit behoort tot zijn edele karakter, zijn gunst en zijn nobelheid
- moge Allah hem genadig zijn.
Zijn huis was altijd gevuld met armen en
behoeftigen, en mensen die voor een fatwaa kwamen of voor het zoeken naar steun
en bijstand, die dan deelnamen aan het middageten of het avondeten, welke elke
dag bereid werd met een hoeveelheid die voldeed aan dat aantal van zijn gasten
- moge Allah hem genadig zijn.
Tijdens de haddj(11) van het jaar
1419 H. en dat is het jaar waarin hij van de haddj afwezig bleef in het einde
van zijn leven, vanwege een ziekte waardoor de dokters hem adviseerden om niet
te reizen naar de haddj. Daarom stelde hij iemand aan om zijn huis in Mekkah te
openen, en zijn tentenkamp in Minaa, en het verzorgen van maaltijden en deze voor
te dragen aan de mensen die gewoon waren hem te bezoeken om profijt te hebben
van zijn kennis en hem te vergezellen in zijn maaltijd. En hij nam dan
telefonisch contact op met degene die hij daarvoor aanstelde om zichzelf
daarover gerust te stellen.
Hij maakte gebruik van zijn positie om voor
de mensen te bemiddelen en om hen bij te staan in het vervullen van hun wensen
en het verwilligen van hun behoeften.
Vervolgens werd het voor mij
vergemakkelijkt om hem te bezoeken tijdens de periode van de haddj in zijn huis
en zijn kamp in Minaa, en in dit jaar waarin hij van de haddj afwezig bleef,
reisde ik naar Mekkah toen hij daar verbleef voordat hij voor twee dagen naar
Taa-if ging, en dat was op donderdag 29 Dhoel-Hiddjah. Ik vertrok samen met één
van mijn zonen speciaal om hem te bezoeken, en toen we bij hem aankwamen en hem
begroetten, haastte hij zich zoals gewoonlijk om te vragen naar onze staat en
naar de ouders, en om uit te nodigen voor het nuttigen van het middageten,
waarop ik tegen hem zei: "We zijn speciaal uit al-Medienah gekomen om u te
bezoeken en om het middageten samen met u te nuttigen, en daarna terug te keren
naar al-Medienah." Hij - moge Allah hem genadig zijn - antwoordde: "Allah - de
Almachtige en Majesteitelijke - zegt:
وجبت
محبتي للمتحابين والمتزاورين في
"Mijn Liefde is
verplicht voor degenen die elkaar omwille van Mij liefhebben en opzoeken."
En tijdens die ontmoeting waren in zijn
bijeenkomst zestig behoeftigen aanwezig, één van degenen die de verzoeken aan
hem voorlas had hun aantal namelijk genoemd. Wij arriveerden om 10 uur 's
ochtends bij hem, en vanaf die tijd totdat er werd opgeroepen voor het dohr(12)
gebed waren er twee secretarissen bij hem. Elk van hen had een aantal verzoeken
bij zich, en lazen om de beurt aan hem voor, en wanneer de telefoon afging, nam
hij de hoorn op en beantwoordde dan de zoeker naar een fatwaa.
Toen er werd opgeroepen voor het dohr gebed,
vroeg hij wat het aantal was van degenen wiens verzoeken overgebleven waren,
waarop er werd gezegd dat er acht overgebleven waren. Dus zei hij: "Als Allah
het wil, beëindigen we hun verzoeken na het gebed." En na het gebed keerde hij
terug en voltooide wat er was overgebleven totdat het middageten werd gebracht,
waarop iedereen opstond om het middageten te nuttigen. Het eten was veel zoals
gewoonlijk, omdat de aanwezigen velen waren, en de schalen waarom de mensen
zich op die dag verzamelden, waren zes grote schalen - moge Allah hem genadig
zijn en hem vergeven.
Hij - moge Allah hem genadig zijn - nam geen
genoegen aan zijn inspanningen in het dienstig zijn aan de mensen en zijn ijver
in het bijstaan van hen, en schreef een brief naar één van de grote geleerden
en dat was op de 8e dag van de 3e maand van het jaar 1418
H., waarin hij zei:
"Het verheugt me om u te berichten dat ik
sinds een lange tijd de taak op me heb genomen in het steunen van vele
behoeftigen binnen het Koninkrijk en daarbuiten, het bouwen van moskeeën binnen
het Koninkrijk en daarbuiten, en het aanstellen van uitnodigers buiten het Koninkrijk
en dat op de kosten van de Bedienaar van de Twee Heilige Nobele Plaatsen en
zijn opvolger, en een aantal Prinsen en weldoeners en handelaren,"
Daarna zei hij:
"En de eeuwigheid is aan Allah, en elke ziel zal de dood proeven. Wanneer de dood mij dan overmant,
wens ik dat jullie deze werken op jullie nemen, en dat jullie de beloning bij
Allah - de Almachtige en Majesteitelijke - verwachten."
|