|
Door
Het Permanente Comité voor Wetenschappelijk Onderzoek en Fataawaa
Vraag: Ik ben een blinde man en woon in een
huis. In dit huis komen er elke nacht djinn(1) naar mij en ik heb angst
voor hen. Maar nu heb ik een Qor-aan en wanneer ik deze op mijn gezicht leg,
gaan zij van mij weg. Sommige mensen zeggen echter: "Het is niet goed dat je de
Qor-aan op je gezicht legt." Ik hoop dat jullie mij van nut kunnen zijn.
Antwoord: Je dient Allah
veelvuldig te gedenken wanneer je gaat slapen. Lees Aayatoel-Koersie (Soerah
al-Baqarah 2:255), Soerah al-Ikhlaas (112), Soerah al-Falaq (113) en Soerah
an-Naas (114). Zeg in de ochtend en de avond driemaal:
أعوذ
بكلمات الله التامات من شر ما خلق
"A'oedhoe bi
kalimaatil-Laahit-taammaati min sharri maa khalaq
(Ik zoek mijn toevlucht bij de Volmaakte Woorden van Allah
tegen het slechte wat Hij heeft geschapen)."(2)
En zeg driemaal in de ochtend en de avond:
بسم
الله الذي لا يضر مع اسمه شيء في الأرض ولا في السماء وهو السميع العليم
"Bismil-Laahilladhie laa yadoerroe ma'asmihi shay-oen fiel-ardi wa laa
fies-samaa-i wa hoewas-Samie'oel-‘Aliem
(In de Naam van Allah, Degene bij Wiens Naam niets wat op aarde of in de
hemel is enig kwaad kan doen. En Hij is de Alhorende, de Alwetende)."(3)
Dan zul je -
met de Wil van Allah - veilig zijn voor het kwaad van de djinn en anderen. En
je dient de Qor-aan niet te gebruiken op de manier die je genoemd hebt, omdat
je zo het Boek van Allah vernedert en hiermee de duivels tevreden stelt. We
vragen Allah dat Hij jou behoedt en dat Hij ons allen beschermt tegen de
duivels. En bij Allah is het succes, en moge Allah's Salaah en Salaam rusten op
onze Profeet Mohammad, zijn Metgezellen en zijn volgelingen.
Bron: al-Boehoeth al-Islaamiyyah tijdschrift nr. 26, blz. 122-123
Vertaald vanuit
het Arabisch door: Ridouane Mallouki
(1) Voetnoot van de
vertaler: Djinn: Wezens geschapen uit rookloos vuur, die samen met
de mensen op aarde leven, maar door hen niet gezien kunnen worden.
(2) Overgeleverd
door Moeslim (2708).
(3) Overgeleverd
door at-Tirmidhie (3388) en Ibn Maadjah (3869).
|