|
Door de nobele Shaykh
al-Imaam Aboe ‘Abdillaah Mohammad ibn Saalih al'Oethaymien
- moge Allah hem genadig zijn -
Vraag: Kan de gelovige psychologisch ziek
worden? En wat is het geneesmiddel daarvoor in de religie, aangezien de
hedendaagse geneeskunde deze ziekten slechts behandelt door middel van de
moderne geneesmiddelen?
Antwoord: Er is geen twijfel
dat de mens getroffen kan worden door zorgen om de toekomst en verdriet om het
verleden, en de psychologische ziekten verrichten meer schade in het lichaam
dan de lichamelijke ziekten. En het behandelen van deze ziekten met behulp van
de religieuze geneesmiddelen - d.w.z. ar-roeqya - heeft meer succes dan het
behandelen ervan door middel van de materiële geneesmiddelen, zoals bekend is.
Tot de geneesmiddelen daarvoor behoort de
authentieke overlevering op het gezag van Ibn Mas'oed - moge Allah tevreden
zijn met hem - dat de Boodschapper - sallallahoe ‘alayhi wa sallam - gezegd
heeft:
ما
أصاب أحد قط هم ولا حزن فقال اللهم إني عبدك وابن عبدك وابن أمتك ناصيتي بيدك ماض
في حكمك عدل في قضاؤك أسألك بكل اسم هو لك سميت به نفسك أو علمته أحدا من خلقك أو
أنزلته في كتابك أو استأثرت به في علم الغيب عندك أن تجعل القرآن ربيع قلبي ونور
صدري وجلاء حزني وذهاب همي إلا أذهب الله همه وحزنه وأبدله مكانه فرجا
"Er is niemand die getroffen wordt door zorgen of verdriet, en het
volgende zegt:
"Allahoemma innie ‘abdoek, wabnoe ‘abdik, wabnoe amatik, naasiyatie
biyadik, maadin fiyya hoekmoek, ‘adloen fiyya qadaa-oek, as-aloeka bikoellismin
hoewa lak, sammayta bihi nafsak, aw ‘allamtahoe ahadan min khalqik, aw
anzaltahoe fie kitaabik, awista-tharta bihi fie ‘ilmil-ghaybi ‘indak, an
tadj'alal-Qor-aana rabie'a qalbie, wa noera sadrie, wa djilaa-a hoeznie, wa
dhahaaba hammie
(O Allah, voorwaar, ik ben Uw dienaar, de zoon van Uw dienaar, en de
zoon van uw dienares. Mijn voorhoofd is in Uw Hand, Uw Oordeel wordt over mij
uitgevoerd, Uw Lotsbepaling voor mij is rechtvaardig. Ik vraag U bij elke Naam
die U toebehoort, waarmee U Uzelf heeft genoemd, of die U aan één van Uw
schepselen heeft onderwezen, of die U in Uw Boek heeft neergezonden, of die U
bij U in de Kennis van het Verborgene heeft gehouden: dat U de Qor-aan de bloei
van mijn hart maakt, en het licht van mijn borst, en de verbanner van mijn
verdriet en de verdrijver van mijn zorgen)."
Behalve dat Allah zijn zorgen en verdriet wegneemt, en deze inwisselt
voor de verlichting."(1)
Dit behoort dus
tot de religieuze geneesmiddelen, en ook dat de mens het volgende zegt:
لاَّ
إِلَـٰهَ إِلاَّ أَنتَ سُبْحَانَكَ إِني كُنتُ مِنَ ٱلظَّالِمِينَ
Niemand heeft het recht aanbeden te worden dan U, Verheerlijkt bent U.
Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtplegers
[ Soerah al-Anbiyaa- 21:87 ].
En wie nog meer
wil, dient terug te keren naar wat de geleerden hebben geschreven over de
gedachtenissen, zoals "al-Waabil as-Sayyib" van Ibn al-Qayyim, "al-Kalim
at-Tayyib" van Shaykhoel-Islaam Ibn Taymiyyah, "al-Adhkaar" van an-Nawawie en
ook "Zaad al-Ma'aad" van Ibn al-Qayyim.
Maar aangezien
de Iemaan (Geloof) is verzwakt, is ook de aanvaarding van de ziel voor de
religieuze geneesmiddelen verzwakt, en zijn de mensen zich vandaag de dag meer
gaan verlaten op de materiële geneesmiddelen dan op de religieuze
geneesmiddelen. En hoe sterker de Iemaan is, hoe meer invloed de religieuze
geneesmiddelen hebben, en hun invloed is zelfs sneller van werking dan de
invloed van de materiële geneesmiddelen. Eenieder van ons is bekend met het
verhaal van de man die door de Profeet - sallallahoe ‘alayhi wa sallam - op een
expeditie werd gezonden, waarop zij bij een bedoeïenenvolk aankwamen dat hen
niet wilde ontvangen als gasten. En het was de Wil van Allah dat de leider van
het volk gebeten werd door een slang, waarop zij tegen elkaar zeiden: "Ga naar
het volk dat aangekomen is, opdat jullie bij hen iemand aantreffen die roeqya
kan verrichten." De Metgezellen zeiden tegen hen: "Wij zullen geen roeqya
verrichten voor jullie leider, behalve als jullie ons zoveel en zoveel schapen
geven," waarop zij hiermee akkoord gingen. Toen verrichtte één van de
Metgezellen de roeqya over degene die gebeten was, en hij las alleen Soerah
al-Faatihah (1), waarna deze man opstond alsof hij bevrijd was van boeien. Op
deze manier had Soerah al-Faatihah een invloed op deze man, omdat deze
afkomstig was uit een hart dat gevuld was met Iemaan. En de Profeet -
sallallahoe ‘alayhi wa sallam - zei, nadat zij tot hem terug waren gekeerd: "En
wat heeft jou doen weten dat het een roeqya is?"(2) Maar in deze tijd is
de religie en de Iemaan verzwakt, waarop de mensen zijn gaan vertrouwen op de
materiële zaken en hiermee zijn beproefd. Maar aan de andere kant zijn er
mensen van kwakzalverij verschenen, die met het verstand, de vermogens en de bezittingen
van de mensen spelen en beweren dat zij vrome mensen zijn die roeqya
verrichten, maar in werkelijkheid zijn zij mensen die de bezittingen ten
onrechte verteren. En de mensen zijn onderverdeeld in twee extremen: aan het
ene extreem zijn er mensen die van mening zijn dat de roeqya geen enkele invloed
heeft en aan het andere extreem zijn er mensen die met het verstand van de
mensen spelen door middel van hun valse bedrieglijke roeqya, en onder de mensen
zijn er die zich op de middenweg bevinden.
Bron: Madjmoe' Doeroes Fataawaa al-Haram al-Mekkie deel 3, blz. 385-386
Vertaald vanuit
het Arabisch door: Ridouane Mallouki
(1) Overgeleverd
door Ahmad (3704) en al-Albaanie verklaarde hem sahieh (authentiek) in
as-Sahiehah (199).
(2) Overgeleverd
door al-Boekhaarie (2276) en Moeslim (2201).
|